top of page
Zoeken

Als leven even teveel voelt

  • Foto van schrijver: Denise de Haan
    Denise de Haan
  • 11 jun
  • 8 minuten om te lezen

Van de week keek ik de film PAAZ.


Er zat een scène in die bij mij bleef hangen. Niet omdat het zo’n prachtig filmisch moment was, maar omdat er ineens taal werd gegeven aan iets wat ik zelf al heel lang voel, zonder dat ik precies wist hoe ik het moest noemen. Iemand vroeg: “Wil je dood?” En het antwoord was iets in de trant van: “Nee, ik ben bang om te leven.”


Ik zette de film niet stil, maar iets in mij stond wel even stil.


Want ik heb mezelf vaak genoeg horen zeggen: “Als ik morgen niet meer wakker word, zou ik het ook niet zo erg vinden.” En dat klinkt donker. Dat klinkt alsof je dood wilt. Dat klinkt als een zin waar mensen van schrikken, en misschien moeten mensen daar ook van schrikken, want het is geen luchtige opmerking. Maar voor mij voelde het meestal niet alsof ik echt dood wilde. Het voelde meer alsof ik niet meer wist hoe ik het leven moest doen.


Alsof dood niet per se het verlangen was, maar rust.


Even geen appèl. Even geen ochtend waarop het leven alweer naast je bed staat met zijn map vol verantwoordelijkheden. Opstaan. Meedoen. Geld verdienen. Rekeningen betalen. Appjes beantwoorden. Je werk dragen. Je hoofd bij elkaar houden. Je verleden verwerken. Je toekomst veiligstellen. Je lijf verzorgen. Je administratie openen zonder dat je borstkas dichtklapt. Je gezicht een beetje normaal houden. Je cliënten helpen. Je hond uitlaten. Je huis op orde krijgen. Een volwassen mens zijn in een wereld die elke dag opnieuw iets van je wil.


En dan denk ik soms: ik kan dit niet. Niet omdat ik niks kan, want dat is het rare. Ik kan veel. Ik heb altijd veel gekund. Ik kan doorgaan, analyseren, presteren, zorgen, voelen, oplossen, bouwen, weer opstaan, opnieuw beginnen. Maar soms is precies dát het probleem. Omdat iedereen, inclusief ikzelf, daardoor denkt dat ik het dus wel red. Terwijl er vanbinnen een uitgeput stuk zit dat helemaal niet denkt: ik red dit wel. Dat stuk denkt: ik ben niet uitgerust voor dit leven. Ik ben niet gebouwd voor de hoeveelheid verantwoordelijkheid die elke dag weer op mij afkomt.


En dat gevoel ken ik niet pas sinds gisteren. Ik herken het uit mijn topsporttijd. Mensen zien vaak de medailles, de discipline, het talent, de glans van iets bijzonders, maar onder topsport zit ook een hard systeem van moeten. Je lijf is geen lijf meer, maar een project. Je waarde wordt gemeten in prestaties, in resultaten, in winnen, in doorgaan als je moe bent, in niet zeuren als het pijn doet, in sponsors tevreden houden, in verwachtingen waarmaken. Je leert dat rust iets is wat je verdient nadat je geleverd hebt, niet iets wat je nodig hebt omdat je mens bent.


Dat systeem is nooit helemaal uit mijn lijf gegaan.


Het speelveld veranderde, maar het moeten bleef. Eerst moest ik medailles halen. Later moest ik mijn leven opnieuw opbouwen. Mijn werk laten draaien. Geld verdienen. Een praktijk dragen. Schrijven. Coachen. Herstellen. Relaties begrijpen. Oude pijn verwerken. Volwassen worden op plekken waar ik als kind nooit echt ben opgevangen. En ergens in mij zit nog steeds die topsporter die denkt dat ze pas mag gaan liggen als ze gewonnen heeft, terwijl er in het echte leven helemaal geen finishlijn is waar iemand met een handdoek en een beker water op je staat te wachten.


Het leven blijft maar komen.


Dat is misschien wat mij soms zo benauwt. Niet één grote ramp, maar de eindeloosheid ervan. De was komt terug. De rekeningen komen terug. De triggers komen terug. De verantwoordelijkheid komt terug. De ochtend komt terug. Je kunt niet zeggen: vandaag doe ik even niet mee met bestaan. Je kunt niet een seizoen overslaan omdat je systeem vol zit. Je kunt niet tegen de maatschappij zeggen: sorry, ik ben emotioneel even niet beschikbaar voor kapitalisme, hechting, administratie en boodschappen.


En natuurlijk kun je soms rust nemen. Je kunt een dag afzeggen. Je kunt naar het strand. Je kunt ademen, wandelen, huilen, slapen, praten. Maar ergens weet je ook: daarna moet je weer terug. Terug naar je leven. Terug naar de dingen die geregeld moeten worden. Terug naar de volwassenheid die geen rekening houdt met het kindstuk in jou dat eigenlijk gewoon wil dat iemand zegt: kom maar, ik regel het even voor je.

Dat is de laag waar ik vaak verdrietig van word. Niet alleen dat het leven veel vraagt, maar dat ik zo vaak het gevoel heb dat ik het alleen moet doen. Dat er misschien best mensen zijn die om me geven, maar dat er niemand is die werkelijk naast me komt zitten in de modder en zegt: geef maar, ik draag dit stuk een tijdje met je mee. Niet als mooie zin, niet als therapeutisch concept, maar echt. Gewoon iemand die het even overneemt. Iemand die niet meteen advies geeft, niet relativeert, niet zegt dat ik zo sterk ben, maar snapt dat sterk zijn soms precies de gevangenis is.


Want als je je hele leven sterk bent geweest, wordt sterk zijn op een gegeven moment een soort isolatie. Mensen zien niet hoe moe je bent, omdat je nog steeds beweegt. Ze zien niet hoe weinig lucht je hebt, omdat je nog steeds praat. Ze zien niet dat je eigenlijk niet meer kunt, omdat je nog steeds doet wat gedaan moet worden. En dan sta je daar, als functionerend mens met een ingestorte binnenkant, en zeg je iets als: “Als ik morgen niet wakker word, vind ik het ook niet zo erg.”


Niet omdat je dood wil.


Omdat je even nergens meer antwoord op wil hoeven geven.


Ik denk dat dit voor veel mensen herkenbaar is. Niet in de vorm van een duidelijk verlangen naar dood, maar als een soort stille vermoeidheid van bestaan. Je bent niet actief op zoek naar een einde, maar je verlangt wel naar een pauze die nergens te krijgen is. Je wilt niet per se weg uit het leven, maar je wilt weg uit de manier waarop het leven op dit moment aan je trekt. En dat verschil is belangrijk, omdat daar iets veel menselijkers onder zit dan alleen donkerte. Daar zit overload onder. Wanhoop. Een zenuwstelsel dat te lang heeft gedacht dat het alles moest kunnen dragen.


Misschien noemen we het burn-out als het werk de druppel is. Misschien noemen we het depressie als het licht uitgaat. Misschien noemen we het trauma als het verleden zich blijft mengen met het heden. Maar soms denk ik dat al die woorden samen wijzen naar iets simpels en rauws: een mens kan op een gegeven moment niet meer leven in een stand die eigenlijk bedoeld was om te overleven.


En dan wordt wakker worden geen nieuw begin, maar een nieuwe opgave.


Dat is een pijnlijk besef, omdat het zo weinig dramatisch klinkt en tegelijk zo allesomvattend is. Er hoeft niet eens iets groots te gebeuren. Je wordt wakker en voelt het al. Niet vandaag. Niet weer. Niet opnieuw dat hele circus van jezelf bij elkaar rapen en doen alsof je weet waar je mee bezig bent. Niet opnieuw die druk op je borst omdat je geld moet verdienen, moet reageren, moet kiezen, moet regelen, moet functioneren, moet bestaan alsof het vanzelfsprekend is dat jij dit allemaal kunt dragen.


En misschien is dat precies waarom die zin uit PAAZ me zo raakte. “Ik ben bang om te leven.” Niet bang voor het romantische idee van leven, met zon op je gezicht en mooie gesprekken en zee en muziek en honden en liefde. Daar ben ik niet bang voor. Ik ben bang voor het andere leven. Het leven met formulieren, verlies, verantwoordelijkheid, afwijzing, geldstress, verwachtingen, eenzaamheid, terugval, volwassen keuzes en de wetenschap dat niemand je komt redden op de manier waarop je misschien ooit gered had moeten worden.


Ik ben bang voor het leven dat elke dag vraagt: ben je er weer?


En soms wil ik dan zeggen: nee, vandaag niet. Vandaag wil ik even niet hoeven. Vandaag wil ik even geen identiteit dragen, geen rol, geen bedrijf, geen verleden, geen toekomst, geen lichaam dat iets nodig heeft, geen hoofd dat alles wil oplossen. Vandaag wil ik even uit de wedstrijd, zonder dat alles instort omdat ik niet meespeel.

Maar dat kan niet echt. Dus leer je verdwijnen terwijl je blijft.


Je gaat functioneren zonder aanwezig te zijn. Je lacht, maar je woont niet helemaal in je lijf. Je helpt anderen, maar je eigen systeem staat in het rood. Je schrijft mooie woorden, maar ondertussen voelt je binnenwereld als een kamer waar al weken geen raam open is geweest. Je doet wat je moet doen, maar ergens ben je gestopt met echt meedoen, omdat echt meedoen te veel risico voelt. Als je echt meedoet, kun je ook echt verliezen. Echt voelen. Echt falen. Echt nodig hebben. Echt ontdekken dat je moe bent op een niveau dat niet met één vrije zondag op te lossen is.


En daar zit voor mij de wanhoop.


Niet in dood willen, maar in niet weten hoe je terug moet naar leven zonder jezelf opnieuw op te jagen. Niet weten hoe je rust moet vinden zonder eerst alles kapot te laten vallen. Niet weten hoe je hulp moet toelaten als je al zo lang gelooft dat jij degene bent die het uiteindelijk toch zelf moet oplossen. Niet weten hoe je mag bestaan zonder iets te leveren.


Ik geloof steeds meer dat die gedachte, “als ik morgen niet wakker word, vind ik het ook niet erg”, soms geen doodswens is maar protest. Een protest van een uitgeput systeem dat zegt: deze manier van leven kan niet langer. Niet nog jaren zo. Niet altijd aan. Niet altijd sterk. Niet altijd door. Niet altijd alles alleen. Niet altijd pas rust als je bewezen hebt dat je het waard bent.


Misschien wil je niet dood.


Misschien wil je dat die manier van leven sterft.


De stand waarin je alleen maar doorgaat. De topsporter in jou die nog steeds denkt dat ze moet winnen voordat ze mag rusten. De overlever in jou die nog steeds denkt dat niemand komt. De volwassene in jou die elke ochtend opstaat met een kindstuk op haar rug dat fluistert: ik kan dit niet alleen.


En misschien begint daar iets. Niet meteen hoop in de grote, glimmende zin van het woord. Niet dat alles ineens lichter wordt omdat je een inzicht hebt. Zo werkt het niet. Maar wel een ander soort eerlijkheid. Een eerlijkheid die zegt: ik ben niet gek omdat ik moe ben van leven. Ik ben niet ondankbaar omdat ik het soms te zwaar vind. Ik ben niet dramatisch omdat verantwoordelijkheid mij naar de keel grijpt. Ik ben een mens wiens systeem te lang heeft geprobeerd om overleven te verkopen als functioneren.

Dat lost het niet op, maar het haalt er wel iets van schaamte af.


En misschien is dat al een begin.


Niet jezelf dwingen om zin in het leven te hebben, maar onderzoeken waarom leven zo onveilig is gaan voelen. Niet vragen hoe je zo snel mogelijk weer normaal wordt, maar eerlijk durven kijken naar de vraag of jouw normaal jou misschien al jaren uitput. Niet terug willen naar de oude jij, maar je afvragen of die oude jij misschien gewoon heel goed was in rennen terwijl haar hart allang buiten adem was.

Misschien begint leven dan niet met grootse plannen, maar met het toelaten van de zin die eigenlijk onder alles ligt.


Ik wil niet dood.


Ik wil niet meer zo leven.


Ik wil niet elke dag wakker worden met het gevoel dat ik eerst moet bewijzen dat ik bestaansrecht heb. Ik wil niet meer alleen maar sterk zijn omdat niemand ziet hoe zwaar het is. Ik wil niet meer doen alsof ik uitgerust ben voor een leven dat mij soms volledig overspoelt. Ik wil niet verdwijnen, maar ik wil ook niet langer op deze manier blijven.


Dat is geen makkelijke waarheid.


Maar het is wel een eerlijkere waarheid.


En soms is eerlijker precies waar het leven weer een klein beetje begint.


Als dit acuut bij jou speelt, blijf er niet alleen mee rondlopen. Trek iemand erbij. Iemand die blijft zitten als jij even niet meer weet hoe je moet blijven.

 
 
 

Opmerkingen


  • TikTok
  • Instagram
  • Facebook
  • LinkedIn

©2025 Denise de Haan Personal Coaching

bottom of page