Waarom je soms niet weet wie je bent
- Denise de Haan
- 4 jun
- 9 minuten om te lezen
Er zijn van die zinnen die mensen vaak achteloos zeggen, maar waar eigenlijk een hele wereld onder ligt.
“Ik weet niet wie ik ben” is er zo één.

Op het eerste gezicht klinkt dat bijna spiritueel. Alsof iemand even een sabbatical nodig heeft, een huisje in de Ardennen, een notitieboekje, een paar goede wandelingen en een podcast over purpose. Maar bij mensen met complex trauma betekent die zin meestal iets veel diepers. Het gaat dan niet om een beetje zoekende zijn. Het gaat niet om “ik weet niet welke hobby bij me past” of “ik moet mijn missie nog vinden”. Het gaat over jarenlang jezelf verlaten om verbonden te kunnen blijven met anderen.
Want dat is vaak wat er gebeurt bij complex trauma. Je raakt jezelf niet kwijt omdat je slordig met jezelf bent omgegaan. Je raakt jezelf kwijt omdat je systeem ooit heeft geleerd dat jezelf zijn niet veilig was.
En dat is nogal wat.
Een kind komt deze wereld in met twee basisbewegingen. Aan de ene kant wil een kind zichzelf zijn. Het wil bewegen, voelen, ontdekken, proberen, fouten maken, boos zijn, blij zijn, vragen stellen, aandacht willen, gek doen, dromen, eigen voorkeuren ontwikkelen. Dat is de natuurlijke beweging van authenticiteit. Aan de andere kant heeft een kind ook een diepe behoefte aan verbinding. Het wil liefde, nabijheid, bescherming, acceptatie en contact. Niet als luxe, maar als overleving. Een kind kan niet zonder verbinding. Dus als die twee met elkaar botsen, wint verbinding bijna altijd.
In een gezonde omgeving hoeft een kind niet te kiezen tussen die twee. Daar mag het zichzelf zijn én verbonden blijven. Het kind wordt boos en de ouder blijft. Het kind huilt en iemand komt. Het kind zegt 'nee' en wordt niet meteen afgewezen. Het kind heeft eigen ideeën, eigen gevoeligheden, eigen eigenaardigheden, en leert langzaam: ik mag bestaan zoals ik ben. Ik hoef mezelf niet eerst te verbouwen voordat ik liefde krijg.
Maar in een onveilige omgeving leert een kind iets anders. Daar kan authenticiteit gedoe opleveren. Misschien werd je uitgelachen als je gevoelig was. Misschien werd je genegeerd als je iets nodig had. Misschien werd je gestraft als je boos werd. Misschien werd je ouder afstandelijk, kil of geïrriteerd zodra jij te veel ruimte innam. Misschien moest jij vooral makkelijk zijn, sterk zijn, slim zijn, zorgzaam zijn, stil zijn of succesvol zijn. Misschien was er simpelweg niemand die echt op jou afstemde. Niet omdat je per se elke dag geslagen werd of in een oorlogsgebied opgroeide, maar omdat je emotioneel niet genoeg plek had om jezelf te worden.
En dan gaat een kind zich aanpassen. Niet omdat het laf is. Niet omdat het nep is. Maar omdat het slim is. Je systeem voelt feilloos aan: als ik mezelf helemaal laat zien, raak ik misschien de verbinding kwijt. Dus je gaat scannen. Wat heeft deze ouder nodig? Wat maakt deze persoon rustig? Wanneer wordt het spannend? Welke versie van mij wordt beloond? Welke versie van mij levert afwijzing op?
Langzaam word je een kameleon. Bij de één ben je grappig, bij de ander rustig, bij de ander verantwoordelijk, bij de ander onzichtbaar. Je leert de kamer lezen voordat je je eigen lijf leest. Je leert de stemming van een ander belangrijker maken dan je eigen binnenwereld. Je wordt goed in aanvoelen, aanpassen, sussen, dragen, pleasen, presteren of verdwijnen. En ergens onderweg wordt dat niet meer iets wat je doet. Het wordt wie je denkt dat je bent.
Tot je later, vaak veel later, op een punt komt waarop je denkt: wacht even. Wie ben ik eigenlijk als ik niet aan het aanpassen ben?
Daar begint vaak de verwarring.
Want als je vanaf jonge leeftijd rollen hebt moeten spelen, dan heb je minder ruimte gehad om je echte zelf te ontwikkelen. Identiteit ontstaat namelijk niet uit nadenken alleen. Identiteit ontstaat door leven. Door proberen. Door spelen. Door falen. Door ontdekken wat je leuk vindt en wat niet. Door ergens enthousiast over te worden en ergens anders keihard op af te haken. Door te merken wat bij je past. Door te voelen waar je lijf op aangaat en waarvan je leegloopt.
Een kind dat veiligheid ervaart, kan nieuwsgierig zijn. Het kan sporten uitproberen, muziek maken, tekenen, buiten spelen, dromen over later, vrienden maken, ruzie maken, grenzen testen, zich vervelen, fantaseren. Dat lijkt misschien gewoon kindergedoe, maar dat is precies hoe een mens zichzelf leert kennen. Je ontdekt je smaak. Je temperament. Je talenten. Je voorkeuren. Je eigenheid.
Maar als je opgroeit in overleving, is daar vaak weinig ruimte voor. Dan is je systeem niet bezig met ontdekken, maar met veilig blijven. Je vraagt je niet af: wat vind ik leuk? Je vraagt je af: wat moet ik doen om geen gedoe te krijgen? Wat moet ik zeggen zodat de sfeer niet omslaat? Hoe zorg ik dat ik niet te veel ben? Hoe zorg ik dat ik niet word afgewezen? Hoe voorkom ik dat iemand boos wordt, weggaat, instort of mij nodig heeft op een manier die te groot is?
Dat is een totaal ander fundament.
En dat fundament doet iets met je brein en je lijf. Als je systeem vaak in stress staat, gaat de energie naar overleven. Fight, flight, freeze of fawn. Vechten, vluchten, bevriezen of aanpassen. Je brein is dan niet op z’n best in reflectie, spel, creativiteit en vrije verkenning. Je bent niet ruim. Je bent strak. Je bent alert. Je staat aan. Zelfs als je aan de buitenkant prima functioneert.
Veel mensen die later zeggen “ik weet niet wie ik ben”, hebben vroeger vooral geleerd wie ze moesten zijn. De sterke. De verstandige. De verantwoordelijke. De makkelijke. De succesvolle. De clown. De helper. De bemiddelaar. De ouder van hun ouder. Het kind dat geen problemen gaf. Het kind dat alles alleen deed. Het kind dat vooral niet te veel nodig had.
En ja, dan kun je volwassen worden en een prima cv hebben. Je kunt een bedrijf draaien, kinderen opvoeden, relaties aangaan, sporten, zorgen, presteren, plannen, oplossen. Je kunt zelfs heel wijs klinken. Maar vanbinnen kan er nog steeds een groot gat zitten. Niet omdat je niks bent, maar omdat je zo lang iemand hebt moeten zijn.
Daar komt nog een laag bij. In een veilige omgeving leer je niet alleen de buitenwereld ontdekken, je leert ook je binnenwereld kennen. Je leert voelen wat er in je gebeurt. Je leert je emoties herkennen. Je leert dat boosheid een grens kan aanwijzen. Dat verdriet steun nodig heeft. Dat jaloezie soms iets zegt over verlangen. Dat angst niet altijd een ramp voorspelt, maar soms een oude wond raakt. Je leert dat je binnenwereld geen vijand is, maar informatie.
In complex trauma gebeurt vaak het tegenovergestelde. Je binnenwereld wordt een plek waar te veel pijn ligt. Te veel spanning, te veel schaamte, te veel eenzaamheid, te veel onvervulde behoeften. En als niemand je helpt om dat te dragen, dan leert je systeem: niet voelen is veiliger. Dus je koppelt los. Je gaat naar je hoofd. Je gaat door. Je gaat zorgen. Je gaat presteren. Je gaat verdoven. Je gaat verklaren. Je gaat controleren. Je gaat alles begrijpen, behalve jezelf bewonen.
Dat zie ik zó vaak. Mensen kunnen hele analyses maken over hun patronen, hun ouders, hun ex, hun hechtingsstijl, hun coping, hun triggers. Ze hebben taal. Ze hebben inzicht. Ze hebben boeken gelezen. Podcasts geluisterd. Therapie gehad. En toch, als je vraagt: “Wat voel je nu eigenlijk?” of “Wat heb jij nodig?” wordt het stil.
Niet omdat ze dom zijn. Juist niet. Vaak zijn het extreem scherpe mensen. Maar ze zijn ergens onderweg uit hun lijf vertrokken. Niet uit onwil, maar uit bescherming.
En dan ontstaat er een gekke splitsing. Aan de buitenkant ben je iemand. Je hebt een naam, een rol, een stijl, een leven, misschien zelfs een imago. Maar vanbinnen voelt het alsof je geen vaste grond hebt. Alsof je steeds opnieuw moet afstemmen op de omgeving om te weten wie je moet zijn. Je voelt pas wat je vindt als je weet wat de ander vindt. Je merkt pas wat je wil als iemand anders iets wil. Je voelt pas je grens als iemand er al drie kilometer overheen is gewandeld met z’n modderpoten.
Dat is geen aanstellerij. Dat is wat er gebeurt als je eigen binnenwereld vroeger niet veilig, welkom of gespiegeld was.
En dan is er nog schaamte. Misschien wel de taaiste laag van allemaal.
Want veel mensen met complex trauma hebben niet alleen moeite om zichzelf te voelen, ze zijn ook bang dat wat ze dan tegenkomen lelijk is. Ze kijken naar hun overlevingsgedrag en denken: dit ben ik dus echt. Ik ben controlerend. Ik ben jaloers. Ik ben manipulatief. Ik ben afhankelijk. Ik ben hard. Ik ben vermijdend. Ik lieg soms om gedoe te voorkomen. Ik pleaser tot ik ontplof. Ik trek aan mensen die afstand nemen. Ik duw weg wat dichtbij komt. Ik verdoof. Ik saboteer. Ik maak drama. Ik kan liefde niet normaal ontvangen.
En dan komt die zin:misschien ben ik gewoon kapot.
Maar dat is precies waar we scherp moeten blijven. Want ja, je bent verantwoordelijk voor je gedrag. Altijd. Trauma is geen vrijbrief om anderen te beschadigen. Je kunt niet eindeloos wijzen naar vroeger en ondertussen weigeren om volwassen eigenaarschap te pakken. Dat is niet helen, dat is je wond gebruiken als parkeerplaats.
Maar verantwoordelijkheid zonder context wordt zelfhaat. En zelfhaat verandert niemand op een gezonde manier.
Je moet dus leren zeggen: dit gedrag is van mij, dus ik moet ermee werken. En tegelijk: dit gedrag is niet mijn diepste identiteit. Het is bescherming die ooit logisch was.
Dat is een belangrijk verschil.
Want als jij je coping verwart met je karakter, ga je jezelf bestrijden. Dan wordt persoonlijke ontwikkeling een soort innerlijke oorlog. Je gaat jezelf fixen, corrigeren, disciplineren, verbeteren, optimaliseren. Maar eigenlijk herhaal je dan hetzelfde oude verhaal: er is iets mis met mij, dus ik moet anders worden om oké te zijn.
Terwijl herstel vaak niet begint met harder aan jezelf trekken. Herstel begint met begrijpen wat je systeem heeft moeten doen om te overleven. Pas daarna kun je kiezen wat niet meer nodig is.
Want onder al die coping zit nog steeds iets echts. Je persoonlijkheid is er nog. Je talenten zijn er nog. Je verlangens zijn er nog. Je vuur is er nog. Je zachtheid, je speelsheid, je boosheid, je grenzen, je creativiteit, je liefde, je eigen tempo. Het is misschien bedekt geraakt onder lagen van aanpassing, maar het is niet verdwenen.
Wie je bent, bestaat niet uit één groot antwoord. Het zit in verschillende lagen. Je hebt je basisbedrading: hoe je denkt, voelt, leert, liefhebt, informatie verwerkt, contact maakt. Je hebt je talenten: dingen die je van nature goed kunt of waar je aanleg voor hebt. Misschien kun je goed luisteren, schrijven, bouwen, analyseren, organiseren, sporten, lesgeven, zorgen, maken, leiden, verbinden. En je hebt je diepere bezieling: datgene waar je energie van krijgt, wat je raakt, waar je betekenis in voelt, waar je ziel, als je dat woord aandurft, een beetje rechter van gaat zitten.
Maar als je lang in overleving hebt gezeten, zijn die lagen moeilijk bereikbaar. Niet omdat ze er niet zijn, maar omdat je systeem andere prioriteiten had. Veilig blijven ging voor. Verbinding behouden ging voor. Afwijzing voorkomen ging voor. De boel draaiende houden ging voor.
Daarom is de vraag “wie ben ik?” soms te groot. Te abstract. Te beladen. Dan schiet je hoofd erop aan en wil je meteen een definitief antwoord. Een missie. Een identiteit. Een nieuwe versie van jezelf. Maar zo werkt het meestal niet.
Je begint kleiner.
Je begint met merken waar je jezelf verlaat. Waar zeg ik ja terwijl mijn lijf nee zegt? Waar lach ik iets weg terwijl ik eigenlijk geraakt ben? Waar maak ik mezelf kleiner omdat ik bang ben dat iemand me te veel vindt? Waar ga ik zorgen terwijl ik eigenlijk steun nodig heb? Waar ga ik uitleggen terwijl ik eigenlijk een grens moet stellen? Waar zoek ik spanning omdat rust onbekend voelt? Waar kies ik bekende pijn omdat gezonde liefde nog onwennig is?
Dat zijn geen kleine vragen. Dat zijn poorten.
En je begint ook met merken waar leven zit. Wat geeft me een beetje lucht? Bij wie hoef ik minder te acteren? Waar voel ik mijn lijf zakken? Waar word ik nieuwsgierig van? Waar voel ik gezonde boosheid? Waar voel ik verlangen zonder meteen paniek? Waar kan ik iets doen zonder mezelf te bewijzen? Waar ben ik niet bezig met hoe ik overkom, maar gewoon aanwezig?
Dat zijn kruimels terug naar jezelf.
Jezelf terugvinden is vaak niet één grote openbaring. Het is niet dat je op een ochtend wakker wordt en ineens denkt: ah, daar ben ik. Het is veel trager dan dat. Veel aardser. Je begint laag voor laag af te pellen wat niet van jou is. De stem van je ouders. De verwachtingen van vroeger. De rollen die je bent gaan spelen. De schaamte die je hebt overgenomen. De angst om verlaten te worden. De overtuiging dat je liefde moet verdienen. De reflex om jezelf te bewijzen. De neiging om je behoefte meteen belachelijk te maken.
En ergens onder al die lagen kom je niet een perfecte versie van jezelf tegen. Gelukkig niet. Perfectie is vaak gewoon trauma in galakleding. Je komt een echtere versie tegen. Een mens. Met behoeften. Grenzen. Vuur. Onhandigheid. Liefde. Scherpe randjes. Zachtheid. Tegenstrijdigheden. Dingen die nog moeten groeien. Dingen die allang wisten hoe het zat.
Misschien ben je dus niet kwijt. Misschien ben je alleen jarenlang overschreeuwd door bescherming.
En misschien is herstel dan niet: jezelf vinden alsof je ergens op zolder in een doos ligt.
Misschien is herstel: jezelf weer toelaten.
Je gevoel toelaten. Je nee toelaten. Je boosheid toelaten. Je zachtheid toelaten. Je verlangen toelaten. Je plezier toelaten. Je grenzen toelaten. Je eigen stem toelaten. Je lijf toelaten. Je waarheid toelaten, ook als iemand anders daar iets van vindt.
Niet allemaal tegelijk. Niet hysterisch groot. Niet als nieuw project waarmee je jezelf weer moet bewijzen.
Gewoon elke dag een stukje minder jezelf verlaten.
En misschien is dat uiteindelijk identiteit: niet een strak antwoord op de vraag wie je bent, maar het groeiende vermogen om bij jezelf te blijven terwijl je leeft.
Niet meer constant worden wie de ander nodig heeft.
Maar langzaam terugkomen naar wie jij altijd al was, voordat je leerde dat je daarvoor moest verdwijnen.




Dag Denise. Ik zal niet de eerste zijn die tegen je zegt: ‘Wat een feest der herkenning’. En naar alle waarschijnlijkheid ook niet de laatste :) Wat mij raakt in deze blog is dat ik mezelf erin herken. Niet in de grote traumawoorden, maar in het voortdurend afstemmen op anderen. Als kind leerde ik de sfeer lezen voordat ik leerde voelen wat er in mijzelf leefde.
Ik ben bijna twintig jaar getrouwd, vader van drie kinderen en draai een bedrijf. Aan de buitenkant lijkt alles prima te functioneren. Maar van binnen merk ik steeds vaker dat ik niet zozeer ben kwijtgeraakt wie ik ben, maar dat ik mezelf jarenlang heb aangepast om verbinding te houden. De zin die het meest…